Bedenkingen

Altijd al

Terwijl ze van buiten de eenvoud lijkt
zie ik wat er achter haar ogen schuilt.
Kwetsbaarheid.

Ze kan beslist dingen beweren 
overtuigd en luid paraderen.
Maar achter dat alles de immense onwetendheid
Of ze wel genoeg is.

Zo loopt ze zichzelf en anderen achterna.
Nooit genoeg.
Zo zakt ze in mijn zetel: moe.
En even later ogen toe.

Mocht ze echter, ogen open,
staren achter mijn ogen 
zou ze zien
wat ik zag:

Een storm 
omhuld door zachtheid
Een hoofd dat tolt 
zoekend naar vaste grond
Een hart te groot 
voor een wereld die ons kleiner wil

Ze zou zien
dat ze altijd al
meer dan genoeg was.
In haar stiltes. 
Haar aarzeling.
Juist daar.

En misschien — heel misschien —
hield ze even halt.
Juist genoeg, niet lang
om te merken
dat ze hier altijd al 
thuis kwam.

Bedenkingen

As she always had

I stopped by
because she wanted me to.
I sank into the garden chair,
and she curled into me
three small shuffles and a pillow later,
she was home again:
in my arms.

“Pet me,” she said.
I laughed —
said it had taken her long enough,
that I’d seen this moment coming.
Three gentle strokes,
and her leg found its place
wrapped around mine,
like it had never left.

The garden folded into night,
and we drifted inside.
A shower later,
she came down
in little more than breath and cotton.

“Why me?” I asked.
“The other hands,” she said,
“aren’t as tender.”
That it wasn’t wise
because though nothing happened,
everything did.

She fell asleep like that.
I followed.

Later, I ask — Is this platonic?
“No,” she says. No pause. No doubt.
We’ve settled this much:
she gives nothing.

And yet —
without her knowing —
it’s everything.

The purest form of home:
A stillness wraps me
in ways the world
never could.

Bedenkingen

Eerder altijd al

Ik kwam langs
omdat ze dat graag wou.
Ik zakte weg in de tuinzetel,
en zij tegen me aan.
Drie schuifels en een kussen verder
lag ze weer
waar ze altijd lag:
in mijn armen.

‘Aaien,’ fluisterde ze.
Ik lachte
Dat het lang had geduurd,
Dat ik het allang had zien aankomen.
Drie zachte strelingen,
en haar been vond zijn plek
rond het mijne,
waar het eerder altijd lag.

De tuin glijdt langzaam de nacht in,
en wij naar binnen.
Een douche later
daalt ze af,
in amper meer dan adem en katoen.

‘Waarom ik?’ vraag ik.
‘De andere handen zijn niet zo teder,’
zegt ze.
Dat het misschien niet verstandig was
want ondanks er niets
toch alles gebeurde.

Zo viel ze in slaap.
En niet veel later
ik. Lepelend.

Later vraag ik:
Is dit platonisch?
‘Nee,’ zegt ze. Beslist.

We zijn het over één ding eens:
zij geeft niets.
En toch —
weet zij niet —
is het alles.

De puurste vorm van thuis.
Waar ik de rust vind
die ik elders altijd zoek

Bedenkingen

I can write around you

I can write around you.
Let a finger trace the hush of your lips —
no need to undress you,
you are already bare in this language we share.
I can pour you into a bath of words,
and slip in beside you.

Even in silence,
we feel how letters shape a story
only the two of us can read.

Now that you are here,
I write my hand upon your shoulder,
my lips breathing verses along your neck.
My fingers sketch soft lines around your waist

and suddenly,
drops gather meaning,
telling how your hands
found the place
where I begin.

Bedenkingen

Ik kan om je heen schrijven

Ik kan om je heen schrijven.
Laat een vinger de stilte van je lippen strelen
ik hoef je niet uit te kleden,
je bent al naakt in deze taal die we delen.
Ik kan je laten glijden
in een bad van woorden,
en ik kan naast je komen liggen.

Zelfs in stilte
voelen we hoe letters een verhaal vormen
dat alleen jij en ik kunnen lezen.

Nu jij hier bent,
schrijf ik mijn hand op je schouder,
mijn lippen fluisteren verzen in je hals.
Mijn vingers tekenen zacht
de lijnen rond je taille

en plots
vormen druppels betekenis,
vertellen hoe jouw handen
raakten
waar ik begin.

Bedenkingen

Stil

Je handen 
Langzaam langsheen
Schrijven verhalen in lange streken
En vertellen zinnen die je mond zwijgt.

Je vingers
Zacht beminnend
Raken ingehouden kippenvel 
Zwijgen onverteld verlangen

Je stilt de woorden
In mij.

Bedenkingen

Gewichtloosheid

Ergens in de verbinding van de lijn
zaten onze stemmen gevangen,
omgeven door niets dan het zwart van onze gedachten,
in een immense ijle ruimte van zachtheid.

Zo hingen we daar gewichtloos in het hier en nu.
Tussen woorden in. Slikten we zinnen.
Stolden we de tijd.

Het was toen dat ik besefte dat er niets te snappen viel.
Dat we hier elkaar wederom stil beminden.
Gestold in de onmogelijkheid.

Bedenkingen

Sonder

Is dat al wat we waren.
Sonder.
Een toevallige ontmoeting, een klik.
De realisatie dat dat het dan maar was.

En hoe moet dat dan nu zonder…

Zonder het gevoel dat er eindelijk
voor het eerst iemand was
waarvan we beiden dachten
‘Ik wil met.’

Bedenkingen

Details

Men zegt dat onze ogen slechts het medium zijn. Het zijn de hersenen die er een geheel van maken. Maar het is niet het geheel waar het op aankomt. Het gaat over de details, de kleine storingen die ons dingen laten zien waar we geen woorden voor hebben – zo groot en tegelijk zo onbelangrijk is het geheel geworden – waardoor we door de hand Gods geslagen zitten te kijken als konijnen naar het licht.

Uit ‘Mondschilderingen’ van Peter Verhelst