Terwijl ze van buiten de eenvoud lijkt
zie ik wat er achter haar ogen schuilt.
Kwetsbaarheid.
Ze kan beslist dingen beweren
overtuigd en luid paraderen.
Maar achter dat alles de immense onwetendheid
Of ze wel genoeg is.
Zo loopt ze zichzelf en anderen achterna.
Nooit genoeg.
Zo zakt ze in mijn zetel: moe.
En even later ogen toe.
Mocht ze echter, ogen open,
staren achter mijn ogen
zou ze zien
wat ik zag:
Een storm
omhuld door zachtheid
Een hoofd dat tolt
zoekend naar vaste grond
Een hart te groot
voor een wereld die ons kleiner wil
Ze zou zien
dat ze altijd al
meer dan genoeg was.
In haar stiltes.
Haar aarzeling.
Juist daar.
En misschien — heel misschien —
hield ze even halt.
Juist genoeg, niet lang
om te merken
dat ze hier altijd al
thuis kwam.