Herinneringen

Momentum

Wat is het misschien meer dan
Het nooit dat zekerheid biedt
De twijfel waarin je me
Doet baden verbergt
Mijn naaktheid niet.

En terwijl ik dreig te verdrinken
In dit te diepe momentum
Bevries je met je glimlach
Dit ogenblik tot eeuwigheid

Uiteindelijk is het jij die wint
Vertel je me
Wat ik je vergat te zeggen
Is dat mezelf al lang in jou
heb verloren.

Fictieve woorden

Spiegelen

Ze zeggen dat fotografen zichzelf zoeken in de spiegel van de ogen van hun onderwerp.
Hij wist niet of het waar was, wel dat hij hield van zijn spiegelbeeld in haar ogen.
Hoe zij naar hem keek. Hem op slag veranderde in iets wat hij nooit zou kunnen zijn.

Ze keek naar de littekens die in zijn ziel waren gegroefd. Ging er met een vinger overheen. Ze probeerde licht als licht en stil als de stilte te zijn. Te verdwijnen. Teveel vragen, te veel antwoorden.

De ruimte werd doorkliefd met bonkende beats. Herkenbare tonen lieten ons dansen zoals we eerder al deden met anderen in even onherkenbare plaatsen.
Je glimlachte en werd iemand anders.
Ik werd zij.
We gleden verder af in het donkerte van de nacht en stopten niet met te zijn wie we nooit zouden zijn behalve dan die keer dat we het ooit waren geweest.

Ze wordt wakker en verkent waar ze is.
Wie ze is.
Het gezicht in de spiegel toont een vrouw.
Gisteren zou ze ze gezworen hebben dat dat anders was.
In een boek zou dit alles kunnen, zouden mannen vrouwen worden en vrouwen mannen, en zwaartekracht zou haar laten vliegen zonder in de ruimte te zijn. Paarden zouden kunnen praten en katten zingen.

Net zoals de schilder die het schilderij schildert en even later met witte verf alles uitwist.
Onder dikke lagen wit gaan verschillende tekeningen verloren, om jaren later zorgvuldig te worden ontdekt.
Dan zullen de historici niets anders kunnen dan gissen en wordt het verleden niets anders dan een fictief verhaal.

Fictieve woorden

Hard Shoulder

Een ander ogenblik, op de grens tussen ergens en elders staar ik naar de zee. Tussen het ruisen door begint een viool te spelen, op de achtergrond. Mozart, geloof ik. Al weet ik er geen snars van.
Als het concerto stopt, ga ik op de wind liggen en voel hoe die mij draagt. Nog even en ik kan zweven.
Achter mij worden mijn voetstappen uitgewist door de zee. Geen bewijzen meer, ik ben verdwenen.
Terwijl het zand over het zand kruipt, verdwijn ik iedere voetstap opnieuw.

Fictieve woorden

Scharlaken rood

Hij kijkt hoe ze het scharlaken rood naar haar lippen brengt, en er langzaam op bijt.
Het moet naar zoet smaken, weet hij, dieprood en wijnzoet, anders was het de moeite niet waard.
Het was allemaal de kunst van het enten, had zijn vader altijd gezegd, en hij wist dat hij gelijk had gehad.
Een rood straaltje sap komt uit haar mondhoeken, als een streep bloed.
Het drupt op haar witte bloesje, en hoewel hij haar boos wijst op de vlek, kan hij even later een glimlach niet onderdrukken. Pretlichtjes.
Hij lonkt van de vlek naar haar blote huid.
Nu het pitje nog.
Seconden later spuugt ze het kleinood op de geelgroene grond.
De zon had alles al dagen verbrand.
Alles, behalve het scharlaken rood, dat roder was geworden en haar huid, die een diepbruine kleur had gekregen.
Van het slapen onder de wilg.

Zo was het jaren geleden ook al geweest, toen hij haar net leerde kennen, ze was van het dorp, net als hij, en in de kerk durfde hij wel heimelijk naar haar kijken.
En zij keek terug. ‘Franke toot’ had zijn moeder haar genoemd. ‘Niets goe voor u’. Hij had geknikt.
En toen was de oorlog gekomen, en naast al die ‘vremden’ van een paar dorpen verder, waren nu ook de soldaten bezig haar te versieren.

Maar hij had getriomfeerd.
Hoe hij had getriomfeerd.
Met geheime afspraakjes onder de wilg.

En kilo’s kersen.

Bij dit stuk.

Limiet van mijn kennis...

Vraagtekenwoorden om te bekoren

verkeersfuik, proefstrook tekstmarkeringen, integratieladder, sekssurferij, fatsoenstroepen, tepelschildje, terreurvrees, koeienoppas, patatvos, spraakbestel, geluidsorganisme, werkelijkheidsstelsel, klankerfenis, poldercultuur, aanslagvoet, kaddisj

Fictieve woorden

Gemorste woorden

Ze had woorden gemorst, die avond, als wijn op een spierwit tafellaken.
Honderduit verteld, en zich verscholen achter de luidheid van haar stem.
Ze hadden zout moeten zoeken om te vlekken te laten verdwijnen.
En nog was ze doorgegaan, alsof de gebaren die ze maakte, haar aanspoorden sneller te gaan.
En sneller.
Ze had iedereen achtergelaten en was uiteindelijk kilometers later tot stilstand gekomen.

Nu probeerde ze de overgebleven letters op te rapen.
Hakkelend keek ze hem aan.
Hij glimlachte.
Zij kon wel huilen.

Hij had het haar nooit kunnen vertellen.
Hoe, als hij haar aanraakte, haar eigenlijk uitwiste.
Hopend dat ze er op een ogenblik niet meer zou zijn.
Als hij maar lang genoeg zijn ogen toehield.
Misschien dan.

Hij nam haar hand. Zacht.
Hoe hij van haar hield.
Hoe hij haar woorden opdronk.
Hij sloot haar ogen en zei ‘Kijk’

En ze zag.
Ze zag hem.
Ze glimlachte.

Hij wist.

Fictieve woorden

Nooit stoppende treinen

Terwijl in een roze waas de zon de aarde zachtjes aait, glijdt het landschap aan me voorbij.
Een roze olifantewolk rent doorheen de hemel.
Een deuntje van veel te lang geleden brengt me naar 10 jaar eerder en flitsen herinneringen doen me glimlachen.
‘You’re only dreaming, I think I can hear you say shut up. I hope your dream is in me, I hope your dream sets your free.’

Iemand staart me in mijn spiegelbeeld aan. 10 jaar later, het is een vreemde vaststelling de trekken in mijn gezicht te herkennen.
En in de bewegingen en andere soort van vastberadenheid te zien, minder dwingend dan vroeger. Rustiger, maar niet minder (on)zeker.
Een dame passseert, een parfum blijft hangen.
Jij blijft langskomen in teveel gedaantes.

Witte strepen snijden de hemel in geometrische vlakken, zichtbare en enige overblijfselen van tickets naar elders, verre bestemmingen en langverwachte dromen.
Je vertelde me in duizend gedaantes dat je wilde veranderen, dat je enkel je eigen verwachtigen wilde inlossen en nooit de regels wilde naleven.
En met iedere gedaanteverwisseling veranderde je angst en je bestemming.
Je tekende de route op mijn lijf, een vingerstreek lang. Elke keer opnieuw.

Dat ik verhalen wilde vertellen die bleven doorgaan als nooit stoppende treinen, langsheen oneindige landschappen, en opgaande zonnen, waar mensen elkaar leren kennen en hun brood delen, vertrouwde ik je toe.
Je glimlachte er al om, jaren geleden.

Intussen is de hemel het schouwspel geworden van een vurig spektakel, alsof de zon de aarde te lang heeft aangeraakt en die laatste erdoor in vuur en vlam is geschoten. De witte slierten vormen nu een vuurwerk dat te snel ontbrandt.
Mijn ogen zijn de enigen die blussen.

De trein stopt.
Een reis begint.

Herinneringen

Herinnering

In een winderige woestijn loopt een horde journalisten uit een bus, richting Bedoein met de gouden muiltjes.
De man is de enige die zichzelf niet in deze gekte verliest. terwijl de hongerige journalisten een lading vragen over hem heen werpen.
De gids vertaalt ze geduldig.
‘Wat de man vond van de sancties van de UN na de oorlog?’
‘Wat de man deed tijdens de oorlog?’
‘Of hij zijn dictator een goeie man vindt?’
‘Wat hij ervan vindt dat zijn kamelen grazen in een radioactieve woestijn’
Ik glimlach terwijl de man antwoord en de gids vertaalt.
En ik kijk naar zijn mooie gouden muiltjes.
De man heeft een kudde van meer dan 100 kamelen en is bijgevolg van een zeer groot aanzien, en oneindig rijk.
ZIjn houding verradt zijn trotsheid.
En dat radioactiviteit onzichtbaar is, en hij nauwelijks kan lezen noch schrijven lijken de camera’s te vergeten.
Futiele vragen in deze immense woestijn.
De camera’s staan zich te vertrappelen om toch maar een ideaal standpunt te hebben en de fotografen kunnen een mooi portret volledig vergeten. Ten voeten uit is buiten de mogelijkheden, geen gouden muiltjes op de foto. Wel in mijn geheugen gebrand.
‘Of hij ook een vraag mag stellen’
De camera’s knikken, en een ingehouden stilte volgt.
De gids begint te blozen en start een reeks verontschuldigen naar de camera’s toe.
‘U moet begrijpen, de bedoeinen hebben een andere manier van leven dan ons’
‘Stel de vraag dan.’
De gids wijst naar de blonde geemancipeerde Duitse.
‘Hij vraagt of 5 kamelen genoeg zijn om die dame te kopen…’

(April 2002, Basra, Iraq)

Fictieve woorden

Stilste stiltes

Ik hou van stiltes.

Alomtegenwoordige stiltes, in een massa van lawaai, een glimlach die de tijd in alle dimensies doet stilstaan.
Afwachtende stiltes, met een iets of wat arrogante houding, het vermoedelijk weten, en de teleurstelling achteraf.
Schrijndende stiltes waarin elk woord een woord teveel is en de stilte meer woorden bevat dan ooit voorheen.
Stresserende stiltes gepaard met een ongemakkelijk gevoel in de onderbuik en opluchting in een zucht.
Snijdende stiltes waarbij woorden geluidsloos doorheen de lucht klieven en zonder de noodzakelijke klankkast dof neervallen terwijl de stomme sprekers elkaar zonder woorden verstaan.
Of gewone stiltes, nooit vanzelfsprekend, waarbij jij en ik naast elkaar stil een boek lezen, elk in een eigen wereld verzonken en toch in dezelfde aanwezig.

Het stille weten.

Fictieve woorden

J-Walk

Hij nadert een kruispunt. Stopt om over te steken. Het lijkt een onmogelijke opdracht in deze stad van razende mensen met te weinig tijd. En stoplichten. Waarom zijn er in hemelsnaam stoplichten als toch niemand stopt?
Aan de overkant staan er mensen die zichzelf afvragen hoe ze de straat kunnen overgeraken.
Hij kijkt ze aan.
En plots tussen al die mensen, die ene blik die blijft staren in zijn ogen, lijkt vastgelijmd. Een ogenblik lang. Een seconde, een eeuwigheid. Ookal is de straat zo breed en de afstand zo groot, en ziet hij enkel een paar ogen, hij is er zeker van dat als hij die ogen terugziet, hij ze zal herkennen.
De vrouw wiens ogen hij ziet, glimlacht even, en rukt zich dan los uit de betovering. Slaat haar ogen neer, draait zich om en besluit een andere weg te nemen, aarzelt even tussen links en rechts. Besluit dan dat links haar het snelst zal brengen waar ze heen wil en vertrekt. Met een aktetas onder haar arm en een gsm die rinkelt.
De man staart haar na. Besluiteloos. Onzeker.
Een seconde te lang, de eeuwigheid voorbij.
Hij weet het zelf, hij doet het weer, alles aan hem voorbij laten gaan.
In plaats van te springen naar het onbekende, te kiezen voor die verdomde zekerheid, die hij intussen zo haat. Als hij ‘s avonds in zijn bed kruipt en denkt dat hij alles heeft, een dak, een auto, een gsm, een computer, een job, een status in deze maatschappij, dat hij zich gelukkig mag prijzen want ‘denk maar eens aan al die arme kinderen aan de andere kant van de wereld’, weet hij diep in zijn binnenste wat hij mist. Passie.
Dat alles denkt hij in die ene seconde te lang, en in volgende seconde gaat een rest van gedachten aan hem voorbij, zijn zorgeloze jeugd waar hij zo naar verlangt. Heel even weer klein te mogen zijn en niet hoeven na te denken. Te zeggen, ik ben moe en gaan slapen. En verdrietig omdat er een ‘pijntje’ is en mama die al die ‘pijntjes’ overkust en zegt dat hij de liefste jongen van de hele wereld is.
Waarom is hij zich nooit gaan volwassener voelen? In zijn hart dezelfde onzekerheden van vroeger, dezelfde twijfels. En hij die dacht dat dat alles zou voorbij gaan als hij groter werd.
Drie seconden verder.
Als hij ontwaakt uit zijn gedachten, is de vrouw verdwenen, de auto’s blijven razen, en de stoplichten verspringen van kleur als de lampjes in een kerstboom. De voorbijgangers duwen hem bijna mee de stroom in.
Maar hij wil de andere kant op, besluit hij. Het is nooit te laat.
Hij rent het kruispunt op.
Dwars. Alle auto’s remmen.